hmm, ik heb de stof er nog eens op nagelezen, maar ik heb de antwoorden van een opdracht, niet echt een droge uitleg...
komt ie
1. Ik verwacht dat mijn gezondheid achteruit zal gaan (mee eens – niet mee eens)
Bij deze vraag ontbreekt een tijdsframe; aan welke periode moet u denken wanneer u dit invult; het komende jaar, de rest van mijn leven? Als mensen die de vragenlijst invullen hier allemaal anders over denken, weet u niet goed wat u precies aan het meten bent (gebrek aan validiteit)
2. Heeft u het gevoel dat u in een impasse (in het slop) zit?
In deze zin wordt een moeilijk woord gebruik, “impasse”. De poging om dit begrip uit te leggen (‘in het slop”) is ook (te) moeilijk. Als algemene richtlijn wordt wel gezegd dat men taalgebruik op het niveau van een 12-jarige moet gebruiken. Als mensen de vraag niet begrijpen, kunt u verwachten dat ze gaan gokken, waardoor u onbetrouwbare antwoorden krijgt, of mensen de vraag helemaal niet invullen.
3. Vaak sla ik een maaltijd over, omdat ik daar geen tijd voor heb (mee eens – niet mee eens)
Hier wordt een dubbele vraag gesteld: als u wel eens een maaltijd over slaat, maar niet om die reden (maar bv. omdat u wilt afvallen), kunt u de vraag niet goed beantwoorden. U moet altijd maar één vraag tegelijk stellen anders weet u niet precies wat u meet: het antwoord op de eerste vraag, het antwoord op de tweede vraag, een combinatie of geen van beide (gebrek aan validiteit)?
4. In hoeverre hebben uw lichamelijke gezondheid of emotionele problemen u gedurende de afgelopen 4 weken gehinderd in uw normale omgang met familie, rienden of buren, of bij activiteiten in groepsverband?
Ook dit is een dubbele vraag door naar lichamelijke gezondheid en emotionele problemen te verwijzen. Bovendien is de zin te lang, en dus te moeilijk; vragen moeten éénduidig, kort en simpel zijn.
5. Ik heb net zoveel plezier in sex als vroeger (mee eens – niet mee eens)
De vraag heeft geen duidelijk referentiekader (wanneer is vroeger?). Bovendien is deze vraag misschien niet voor iedereen van toepassing. Ten slotte is uit onderzoek gebleken dat veel mensen vragen over sexualiteit te persoonlijk vinden en niet in willen vullen. Dit soort vragen leveren vaak heel veel ontbrekende gegevens op.
6. Ik ben even gezond als andere mensen die ik ken (mee eens – niet mee eens)
Op zich is de vraag goed geformuleerd (kort en simpel), maar u kunt u afvragen wat u precies meet met deze vraag. Meet deze vraag ervaren gezondheid (dat zou de bedoeling moeten zijn) of zegt het antwoord op deze vraag meer iets over iemands zelfbeeld, optimisme, of iets dergelijks? Een betere vraag om ervaren gezondheid te meten zou misschien zijn “hoe ervaart u uw gezondheid? Geef uw eigen gezondheid een rapportcijfer tussen 1-10” of iets dergelijks. Wanneer het op het oog niet meteen duidelijk is wat een vraag meet, heeft de vraag een gebrek aan “face validity”.
Ø Naast een onderscheid tussen open en gesloten vragen, kunt u onderscheid maken naar meetniveau. Een nominale schaal heeft meerdere categorieën, waar geen volgorde in zit (bv. verschillende rassen). Een dichotome schaal bestaat uit twee antoordcategorieën (bv. ja, nee), een ordinale schaal bestaat uit meerdere antwoordcategorieën waar wel een volorgde in zit (bv. goed, matig slecht), een interval schaal bevat daarbij ook nog gelijke afstanden tussen de categorieën (bij een ordinale schaal is dit niet zo) (bv. temperatuur), een een ratio schaal bevat daarbij ook nog een absoluut nulpunt (bij een interval schaal is dit niet zo) (bv. aantal kinderen). Ø Het voordeel van het gebruik van meer antwoordcategorieën is meer informatie (u kunt meer groepen onderscheiden) en hierdoor een betere betrouwbaarheid (precisie). Echter, meer dan 5-9 antwoordcategorieën lijkt niet veel zin te hebben omdat mensen niet meer categorieën kunnen onderscheiden (dit wordt wel de “limits of human discrimination” genoemd). Een punt wat hier mee te maken heeft is het gebruik van een even of oneven aantal categorieën. Bij een oneven aantal categorieën hebben mensen de keuze voor een neutrale middenpositie, bij een even aantal categorieën worden mensen meer gewongen één kant te kiezen. De keuze voor een even of oneven aantal antwoordcategorieën hangt af van het feit of een neutrale midden positie gewenst is of niet. Het is wel belangrijk u dit verschil te realiseren bij het maken van vragenlijsten.
Ø In sommige schalen worden de vragen afwisselend positief of negatief gesteld of worden de antwoordcategorieën nu en dan omgedraaid. Dit wordt gedaan om mensen alert te houden bij het invullen en te voorkomen dat mensen alleen maar kruisjes recht onder elkaar zetten (dit wordt “yea-saying” bias genoemd). Het dilemma is dat het meer oplettendheid van de invuller vereist (men wordt gewongen om de vragen goed te lezen), maar dat de kans op vergissingen groter wordt. Een ander dilemma is dat het positief of negatief stellen van een vraag niet altijd hetzelfde hoeft te betekenen: Zo heeft men bijvoorbeeld ontdekt dat mensen die weinig optimistisch zijn, niet per definitie pessimistisch zijn, maar dat dit twee verschillende dingen zijn.
U kunt vragen eigenlijk alleen bij elkaar optellen als de vragen hetzelfde concept meten. Bijvoorbeeld vragen die allemaal gaan over beperkingen in fysiek functioneren (bv. beperkingen met lopen, traplopen, uit bed stappen, etc.) zou u bij elkaar op kunnen tellen, maar vragen over moeheid of pijn horen daar niet bij. Dit zijn andere concepten. Bij een goede (intern consistente) schaal correleren de vragen in een schaal matig met elkaar. Niet te weinig, want dan meten ze te veel verschillende concepten, maar ook niet te veel, want dan meten ze zodanig hetzelfde dat ze redundant zijn. Met behulp van correlaties kunt u dus een goed idee krijgen van de samenhang tussen de vragen en welke vragen u bij elkaar zou kunnen optellen. Meer geavanceerde technieken (zoals Cronbach’s alpha of factor analyse) zijn op deze correlaties gebaseerd.
Ø De vragenlijst gezondheid is een heel bekende gezondheidsvragenlijst: de “Short-Form General Health Survey (SF-36,
www.SF36.com). Deze vragenlijst wordt in heel veel onderzoek gebruikt (is vertaald in heel veel talen) en bestaat uit de volgende 8 subschalen:1. Fysiek functioneren: vragen 3a t/m 3j2. Fysiek rolfunctioneren: vragen 4a t/m 4d3. Emotioneel rolfunctioneren: vragen 5a t/m 5c4. Sociaal functioneren: vragen 6 en 105. Pijn vragen 7 en 86. Mentaal functioneren; vragen 9b, 9c, 9d, 9f, en 9h7. Vitaliteit: vragen 9a, 9e, 9g, en 9i8. Algemene gezondheid: vragen 1 en 11a t/m 11d
Ø Iemand met een dwarsleasie na een auto ongeluk zal waarschijnlijk vooral slecht scoren op fysiek functioneren en fysiek rolfunctioneren, maar ook zijn mentaal functioneren en sociaal functioneren kunnen verminderd zijn door deze gebeurtenis. Het kan echter best zo zijn dat zo’n persoon zijn algemene gezondheid nog als goed ervaart.
Ø Iemand van 80 jaar zal waarschijnlijk iets minder goed scoren op fysiek functionren dan een jonger iemand. De overige aspecten zouden best even goed kunnen zijn, maar het kan ook wat minder goed zijn, afhankelijk van iemand’s situatie.
Ø Iemand met een depressie zal op de fysieke aspecten nog wel goed scoren, maar zal vooral beperkt zijn in zijn/haar mentaal en sociaal functioneren.
Ø Te moeilijk geformuleerde vragen zullen invloed hebben op de betrouwbaarheid en (daardoor) op de validiteit omdat mensen gaan gokken en u dus random error (ruis) introduceert. Ook meet u mogelijk niet meer wat je zou willen meten
Ø Het aantal antwoordcategorieën is van invloed op de betrouwbaarheid, zie opdracht 3
Ø Het aantal vragen dat opgeteld wordt tot een somscore is ook van invloed op de betrouwbaarheid; wanneer meer vragen over eenzelfde onderwerp worden gesteld, krijgt u een beter beeld van iemands mening hierover, dus een betrouwbaardere schatting van iemands score. Ook hier kunt u zich voorstellen dat er een maximum aan zit: als u te veel min of meer dezelfde vragen stelt, worden mensen het zat en geven ze geen betrouwbare antwoorden meer.
Ø Sociaal wenselijke antwoorden (“faking good”) zijn van invloed op de validiteit; u meet niet wat u eigenlijk wilt meten